sloeg een slag over. Met trillende vingers nam ik op.
“Spreek ik met meneer De Wit?” vroeg een koele, professionele stem aan de andere kant van de lijn.
“Ja, daar spreekt u mee.”
“Meneer De Wit, het spijt me verschrikkelijk u dit te moeten mededelen, maar uw moeder is vanmorgen vroeg in haar slaap overleden. De zuster vond haar om zeven uur tijdens de ochtendronde. Ze is heel rustig heengegaan.”
De wereld om mij heen leek plotseling stil te staan. Het geluid van de heftrucks, het tikken van de regen op het golfplaten dak van het magazijn—alles vervaagde tot een holle ruis.
“Ze… ze was alleen?” stammelde ik.
“Ze heeft geen pijn gehad, meneer,” zei de stem met een ingestudeerde deernis. “Voordat we haar kamer ontruimen, verzoeken we u om haar persoonlijke bezittingen op te halen. Ze heeft weinig achtergelaten, maar ze heeft expliciet gevraagd om haar plant aan u
